Tag: storytelling

Chang Sha

Chang Sha


Alone I stand in the autumn cold
On the tip of Orange Island,
The Xiang flowing northward;
I see a thousand hills crimsoned through,
By their serried woods deep-dyed,
And a hundred barges vying
Over crystal blue waters.
Eagles cleave the air,
Fish glide under the shallow water;
Under freezing skies a million creatures contend in freedom.
Brooding over this immensity,
I ask, on this bondless land
Who rules over man’s destiny?

I was here with a throng of companions,
Vivid yet those crowded months and years.
Young we were, schoolmates,
At life’s full flowering;
Filled with student enthusiasm
Boldly we cast all restraints aside.
Pointing to our mountains and rivers,
Setting people afire with our words,
We counted the mighty no more than muck.
Remember still
How, venturing midstream, we struck the waters
And the waves stayed the speeding boats?

Mao Zedong

Echte Wereld

Echte Wereld


Meer dan vijftig jaar geleden
in de dagen dat een nieuwe tijd begon
schreef Hans Lodeizen, een dichter:
‘deze wereld is niet de echte’.Denk je in: wij hier
met tien miljoen vermenigvuldigd
zouden zeker weten
dat door met spandoeken te lopen
op blote voeten en te zingen,
wij een nieuwe oorlog
konden voorkomen,
wie zou niet –

Bereken
of door prijs te geven
de helft van onze kapitalen
wij misschien doden
zouden doen leven,
breken
de armoedespiraal.

Stel dat een oogopslag bestaat
een handomdraai
die wij door gestage oefening
kunnen leren,
en waarmee wij,
in plaats van ons dood te vechten,
het lot keren en deze wereld
veranderen in de echte –

dan zou Afghanistan
weldra een boomgaard zijn,
en Irak het stromenland weer
waar de mensheid begon

en van Gaza
tot de ceders van de Libanon
zouden vriend en vijand
dansen tot diep in de nacht
bij de bandoneon.

Sinds onheuglijke tijden
staat de hoop geschreven
dat ooit grote woorden als
‘verzoening – leed geleden –
mensenrecht – schoon water – vrede’

tot een nieuwe wereld worden
eindelijk de echte.

In naam van hen
die vóór ons waren
en omwille van wie na ons komen

blijf die grote woorden dromen –
laat de hoop niet varen.

Huub Oosterhuis

De steppe zal bloeien

De steppe zal bloeien



De steppe zal bloeien
De steppe zal lachen en juichen.
De rotsen die staan
vanaf de dagen der schepping,
staan vol water, maar dicht,
de rotsen gaan open.
Het water zal stromen,
het water zal tintelen, stralen,
dorstigen komen en drinken,
de steppe zal drinken.
De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen en juichen.

De ballingen keren.
Zij keren met blinkende schoven.
Die gingen in rouw
tot aan de einde der aarde,
één voor één, en voorgoed,
die keren in stoeten.
Als beken vol water,
als beken vol toesnellend water,
schietend omlaag van de bergen,
als lachen en juichen.
Die zaaiden in tranen,
die keren met lachen en juichen.

De dode zal leven.
De dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan
en onder stenen bedolven:
dode, dode, sta op,
het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
een stem zal ons roepen: Ik open
hemel en aarde en afgrond
en wij zullen horen
en wij zullen opstaan
en lachen en juichen en leven.

Huub Oosterhuis

Amsterdam huilt

Amsterdam huilt


Als vader weer bladert in zijn fotoboek
dan sta je versteld als hij je vertelt
van de Weesperstraat en de jodenhoek
Als vader verhaalt hoe het leven begon
Bij het ontwaken, handel en zaken
Humor en gein, dat was de levensbron
En had je een dag ‘ns geen mazzel gehad
dan ‘s avonds naar de Tip Top waar je ‘t sores vergat
Soms riep d’r nog een in het nachtelijk uur:
‘k Heb mooie olijven en uitjes in het zuur

Amsterdam huilt waar het eens heeft gelachen
Amsterdam huilt, nog voelt het de pijn
Amsterdam huilt waar het eens heeft gelachen
Amsterdam huilt, want weg is de gein

Als vader verhaalt hoe de sabbath begon
dan sta je versteld als hij je vertelt
hoe de voorzanger ‘Ad-des-jem eilje nowa’ zong
Op het Channeke-feest gingen de kaarsjes weer aan
dan werd er gewenst, door God je gebenscht
en dat het ons allemaal goed weer mocht gaan

Voor er werd geplunderd en uitgeroeid
hebben daar jiddische Jé-ledjes gestoeid
Men noemde hen ras, oh God oh God,
waarom mocht het niet zijn zoals het er was?

Amsterdam huilt waar het eens heeft gelachen
Amsterdam huilt, nog voelt het de pijn
Amsterdam huilt waar het eens heeft gelachen
Amsterdam huilt, want weg is de gein

Op vrijdagavond koegel en peren
Wie dat niet nascht, die kan het ook niet waarderen
Het boek gaat dicht en met een traan in zijn ogen
fluistert hij zachtjes: mazzel en brooche voor de hele misjpoge

Mazzel en brooche voor de hele misjpoge
Mazzel en brooche voor de hele misjpoge

Zwarte Riek

Erlkoenig

Erlkoenig


Wer reitet so spät durch Nacht und Wind?
Es ist der Vater mit seinem Kind;
Er hat den Knaben wohl in dem Arm,
Er faßt ihn sicher, er hält ihn warm.

“Mein Sohn, was birgst du so bang dein Gesicht?”
“Siehst, Vater, du den Erlkönig nicht?
Den Erlenkönig mit Kron und Schweif?”
“Mein Sohn, es ist ein Nebelstreif.”‘

“Du liebes Kind, komm, geh mit mir!
Gar schöne Spiele spiel’ ich mit dir;
Manch’ bunte Blumen sind an dem Strand,
Meine Mutter hat manch gülden Gewand.”

“Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht,
Was Erlenkönig mir leise verspricht?”
“Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind;
In dürren Blättern säuselt der Wind.”

“Willst, feiner Knabe, du mit mir gehn?
Meine Töchter sollen dich warten schön;
Meine Töchter führen den nächtlichen Reihn,
Und wiegen und tanzen und singen dich ein.”

“Mein Vater, mein Vater, und siehst du nicht dort
Erlkönigs Töchter am düstern Ort?”
“Mein Sohn, mein Sohn, ich seh es genau:
Es scheinen die alten Weiden so grau.”

“Ich liebe dich, mich reizt deine schöne Gestalt;
Und bist du nicht willig, so brauch ich Gewalt.”
“Mein Vater, mein Vater, jetzt faßt er mich an!
Erlkönig hat mir ein Leids getan!”

Dem Vater grauset’s, er reitet geschwind,
Er hält in Armen das ächzende Kind,
Erreicht den Hof mit Müh’ und Not;
In seinen Armen das Kind war tot.

Goethe

Zonder Paspoort

Zonder Paspoort


Daar waar ik aan wal kom
zal mijn vlucht landen
zal ik me aan de kademuur
ketenen met deze handen
die geroeid hebben om ver
te komen zonder paspoort

weggeworpen tussen
de kaken van een haai

om een route te vinden naar
welk oord dan ook behalve
dat wat me stoorde in een
demonische droom waarin ik
bezeten werd door de greep
van doelloze hoop waaraan ik
ontglipte toen ik de sloep

die nu aan m’n voeten water maakt
om onontkoombaar onder te gaan

ontdekte, waarna ik me vastklampend
zwoegend ben doorgegaan tot
deze haven die ik thans nader
waar ik spoedig zwaaiend
op mijn plaats zal staan als
een vuurtoren voor de vloot die
komen zal en ik kondig aan

Na mij nog velen die oversteken
en op hen zal ik wachten

Joke Kaviaar

Trancereizen

Trancereizen


De meest eenvoudige vorm van trance-reis?

Stel je voor, een kampvuur met een verhalenverteller…

Je begint tijdens het verhaal weg te dromen, en wordt zo in het verhaal meegezogen alsof je het zelf meemaakt.

Lewis Caroll beschrijft in Alice in Wonderland, en in Through the Looking-Glass in feite ook een trance-reis.

Een trance kan varieren van licht naar diep; in de lichte vorm ben je grotendeels nog bewust van je omgeving en je rationele processen, in de diepste vormen ben je helemaal in ‘de andere werkelijkheid’ en kan het gebeuren dat iemand anders je moet helpen om weer terug te komen in ‘de normale werkelijkheid’

Amergin’s song

Amergin’s song


I am a Stag: of seven tines
I am a Flood: across a plain
I am a Wind: upon the waves
I am a Tear: the sun lets fall
I am a Hawk: above the cliff
I am a Thorn: beneath the nail
I am a Wonder: among flowers
I am a Wizard: who but I
sets the cool head aflame?

I am a Spear: that roars for blood
I am a Salmon: in a pool
I am a Lure: from Paradise
I am a Hill: where poets walk
I am a Boar: ruthless and red
I am a Breaker: threatening doom
I am a Tide: that drags to death
I am an Infant: who but I
peeps from the unhewn dolman arch?

I am the Womb: of every holt
I am the Blaze: on every hill
I am the Queen: of every hive
I am the Shield: for every head
I am the tomb: of every hope

John Barleycorn: A Ballad

John Barleycorn: A Ballad


There was three kings into the east,
Three kings both great and high,
And they hae sworn a solemn oath
John Barleycorn should die.

They took a plough and plough’d him down,
Put clods upon his head,
And they hae sworn a solemn oath
John Barleycorn was dead.

But the cheerful Spring came kindly on,
And show’rs began to fall;
John Barleycorn got up again,
And sore surpris’d them all.

The sultry suns of Summer came,
And he grew thick and strong;
His head weel arm’d wi’ pointed spears,
That no one should him wrong.

The sober Autumn enter’d mild,
When he grew wan and pale;
His bending joints and drooping head
Show’d he began to fail.

His colour sicken’d more and more,
He faded into age;
And then his enemies began
To show their deadly rage.

They’ve taen a weapon, long and sharp,
And cut him by the knee;
Then tied him fast upon a cart,
Like a rogue for forgerie.

They laid him down upon his back,
And cudgell’d him full sore;
They hung him up before the storm,
And turned him o’er and o’er.

They filled up a darksome pit
With water to the brim;
They heaved in John Barleycorn,
There let him sink or swim.

They laid him out upon the floor,
To work him farther woe;
And still, as signs of life appear’d,
They toss’d him to and fro.

They wasted, o’er a scorching flame,
The marrow of his bones;
But a miller us’d him worst of all,
For he crush’d him between two stones.

And they hae taen his very heart’s blood,
And drank it round and round;
And still the more and more they drank,
Their joy did more abound.

John Barleycorn was a hero bold,
Of noble enterprise;
For if you do but taste his blood,
‘Twill make your courage rise.

‘Twill make a man forget his woe;
‘Twill heighten all his joy;
‘Twill make the widow’s heart to sing,
Tho’ the tear were in her eye.

Then let us toast John Barleycorn,
Each man a glass in hand;
And may his great posterity
Ne’er fail in old Scotland!

Robert Burns, 1782