Tag: story

De Ballade van Li Po

De Ballade van Li Po


Dit is de ballade van Li-Po
Chinese dichter van ‘t moment en van de wij
Van het lied der korte vreugde
Met wind en regen als gevrij

Misschien had hij enkel een zwerversnatuur
En was hij een blad in de wind
Misschien zocht hij daarom geen rust en geen duur
Verwond’ring kent ieder moment
Hij bouwde geen huis met een drempel, een tuin
Een brandkast voor d’ winter die komt
Hij zwierf door het hemelse rijk maar wat rond
Als een blad, als een steen, als een hond

Hij zong van de vrijheid, hij zong van de wijn
Hij zong van het korte moment
Het korte moment, dat een parel kan zijn
In ‘t leven dat ieder wel kent
Hij kende het troostende liefdesgebaar
Hij kende de as van het vuur
Hij voelde de pijn van het mens’lijk tekort
Maar hij zong naar z’n eigen natuur

In de Gele Rivier, op een maanlichte nacht
Zong hij zomaar met ‘t oog op de maan
Maar hij reikte te ver, en het is daar te diep
Veel te diep voor een mens om te staan
Een boot die leeg aankwam vertelde het nieuws
Aan de oever die schuilging in ‘t riet
En nog steeds zingt Hong-Ho z’n troosteloos lied
Om Li-Po, maar Li-Po hoort het niet

Lenny Kuhr

The Chariots Go Forth to War

The Chariots Go Forth to War


The chariots go forth to war,

Rumbling, roaring as they go;

The horses neigh and whinny loud,

Tugging at the bit.

The dust swirls up in great dense clouds,

And hides the Han Yang bridge.

In serried ranks the archers march,

A bow and quiver at each waist;

Fathers, mothers, children, wives

All crowd around to say farewell.

Pulling at clothes and stamping feet,

They force the soldiers’ ranks apart,

And all the while their sobs and cries

Reach to the skies above.

"Where do you go to-day ?" a passer-by

Calls to the marching men.

A grizzled old veteran answers him,

Halting his swinging stride:

"At fifteen I was sent to the north

To guard the river against the Hun;

At forty I was sent to camp,

To farm in the west, far, far from home.

When I left, my hair was long and black;

When I came home, it was white and thin.

Today they send me again to the wars,

Back to the north frontier,

By whose gray towers our blood has flowed

In a red tide, like the sea–

And will flow again, for Wu Huang Ti

Is resolved to rule the world.

"Have you not heard how in far Shantung

Two hundred districts lie

With a thousand towns and ten thousand homes

Deserted, neglected, weed-grown?

Husbands fighting or dead, wives drag the plow,

And the grain grows wild in the fields.

The soldiers recruited in Shansi towns

Still fight; but, with spirit gone,

Like chickens and dogs they are driven about,

And have not the heart to complain."

"I am greatly honored by your speech with me.

Dare I speak of my hatreds and grief ?

All this long winter, conscription goes on

Through the whole country, from the east to the west,

And taxes grow heavy. But how can we pay,

Who have nothing to give from our land ?

A son is a curse at a time like this,

And daughters more welcome far;

For, when daughters grow up, they can marry, at least,

And go to live on a neighbor’s land.

But our sons? We bury them after the fight,

And they rot where the grass grows long.

"Have you not seen at far Ching Hai,

By the waters of Kokonor,

How the heaped skulls and bones of slaughtered men

Lie bleaching in the sun?

Their ancient ghosts hear our own ghosts weep,

And cry and lament in turn;

The heavens grow dark with great storm-clouds,

And the specters wail in the rain."

DuFu

Alles is te koop

Alles is te koop



Een driedubbele milkshake
Zeven kilo drop
Een tankauto
met koude limonade
Een race-auto, een crossfiets
Ik wil
een mooie pop
Elise, Camiel, Lizemijn, Paul & Merel: Wie wil
ons met kadootjes overladen?
Zeven punten
slagroomtaart
Of een fraaie rubberboot
Of een winkel
elektrieke treinen
Het leven is veel leuker als je elke
dag
In honderd leuke dingen kan verdwijnen

Alles is
te koop
Het is alleen een kwestie van betalen
Zeker als
je geld hebt
Het liefst een hele hoop
Dan kan je alles
bij me komen halen

Negen kilo appelmoes
Tien
patatjes met
Of twee supersnelle voetbalschoenen
Een
vliegmachien, een skateboard
Of een hele snelle pet
Het
gaat bij mij echt niet om miljoenen

Alles is te
koop
Het is alleen een kwestie van betalen
Zeker als je
geld hebt
Het liefst een hele hoop
Dan kan je alles bij
hem komen halen

Maar ik heb nog geen duppie
En ik
heb nog geen spie
En ik, ik heb ook niks om uit te
geven
We zijn een vrolijk cluppie
Maar geld hebben we
niet
Oh, hoe moeten wij nou vrolijk leven?

Alles is
te koop
Het is alleen een kwestie van betalen
Zeker als
je geld hebt
Het liefst een hele hoop
Dan kan je alles
bij hem/me komen halen

Maar kijk daar is de zee
En
kijk daar is het strand
Rennen
Rennen
Vlug voor het
te laat is
Wie gaat er met me mee
Rennen door het
zand
Zwemmen in de zee is lekker gratis
Evenals het
bos
En evenals de hei
Of gewoon een hele goeie
bui
Of een beste vriend
Of de slappe lach
Of een
lange middag lekker lui

Alles is te koop
Jij, jij
kan naar onze centen fluiten
Ik wil jullie geld zien
En
het liefst een hele hoop
Nee nee, we spelen lekker gratis
buiten
Nee, we spelen lekker gratis buiten

Kinderen voor kinderen

Nu is mijn laatste oma dood

Nu is mijn laatste oma dood


,br>

Nu is mijn laatste oma dood
En niemand weet hoe ik haar mis
Want ik hou me nog altijd groot
Net als op haar begrafenis

Toen zei die man: "Ja, volgt u mij"
Het was nog koud.
Het was nog vroeg
Ik zag er ook wel mensen bij

Die hadden geen verdriet genoeg
Zondags ging ik naar oma toe
En alles mocht er op zo’n dag
Ze werd nooit mopperig of moe

Ze lachte om alles wat ik deed
Ik maakte deeg, ik maakte brood, ik maakte koek
Soms had ik me zo gek verkleed
Dan deed ze ‘t bijna in haar broek

Ik klom ook nog wel eens op haar schoot
Dan was ik zogenaamd weer klein
Nu is mijn laatste oma dood
Nooit kan ik meer een kleuter zijn

Haar leuke huis blijft wel bestaan
Het krijgt natuurlijk nieuw behang
Ik durf er niet meer naar toe te gaan
Al duurt de zondag nog zo lang

Wanneer de meester in de klas
Absolute stilte wil
Dan denk ik hoe mijn oma was
En dan word ik vanzelf wel stil

Kinderen voor kinderen

Chang Sha

Chang Sha


Alone I stand in the autumn cold
On the tip of Orange Island,
The Xiang flowing northward;
I see a thousand hills crimsoned through,
By their serried woods deep-dyed,
And a hundred barges vying
Over crystal blue waters.
Eagles cleave the air,
Fish glide under the shallow water;
Under freezing skies a million creatures contend in freedom.
Brooding over this immensity,
I ask, on this bondless land
Who rules over man’s destiny?

I was here with a throng of companions,
Vivid yet those crowded months and years.
Young we were, schoolmates,
At life’s full flowering;
Filled with student enthusiasm
Boldly we cast all restraints aside.
Pointing to our mountains and rivers,
Setting people afire with our words,
We counted the mighty no more than muck.
Remember still
How, venturing midstream, we struck the waters
And the waves stayed the speeding boats?

Mao Zedong

Echte Wereld

Echte Wereld


Meer dan vijftig jaar geleden
in de dagen dat een nieuwe tijd begon
schreef Hans Lodeizen, een dichter:
‘deze wereld is niet de echte’.Denk je in: wij hier
met tien miljoen vermenigvuldigd
zouden zeker weten
dat door met spandoeken te lopen
op blote voeten en te zingen,
wij een nieuwe oorlog
konden voorkomen,
wie zou niet –

Bereken
of door prijs te geven
de helft van onze kapitalen
wij misschien doden
zouden doen leven,
breken
de armoedespiraal.

Stel dat een oogopslag bestaat
een handomdraai
die wij door gestage oefening
kunnen leren,
en waarmee wij,
in plaats van ons dood te vechten,
het lot keren en deze wereld
veranderen in de echte –

dan zou Afghanistan
weldra een boomgaard zijn,
en Irak het stromenland weer
waar de mensheid begon

en van Gaza
tot de ceders van de Libanon
zouden vriend en vijand
dansen tot diep in de nacht
bij de bandoneon.

Sinds onheuglijke tijden
staat de hoop geschreven
dat ooit grote woorden als
‘verzoening – leed geleden –
mensenrecht – schoon water – vrede’

tot een nieuwe wereld worden
eindelijk de echte.

In naam van hen
die vóór ons waren
en omwille van wie na ons komen

blijf die grote woorden dromen –
laat de hoop niet varen.

Huub Oosterhuis

De steppe zal bloeien

De steppe zal bloeien



De steppe zal bloeien
De steppe zal lachen en juichen.
De rotsen die staan
vanaf de dagen der schepping,
staan vol water, maar dicht,
de rotsen gaan open.
Het water zal stromen,
het water zal tintelen, stralen,
dorstigen komen en drinken,
de steppe zal drinken.
De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen en juichen.

De ballingen keren.
Zij keren met blinkende schoven.
Die gingen in rouw
tot aan de einde der aarde,
één voor één, en voorgoed,
die keren in stoeten.
Als beken vol water,
als beken vol toesnellend water,
schietend omlaag van de bergen,
als lachen en juichen.
Die zaaiden in tranen,
die keren met lachen en juichen.

De dode zal leven.
De dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan
en onder stenen bedolven:
dode, dode, sta op,
het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
een stem zal ons roepen: Ik open
hemel en aarde en afgrond
en wij zullen horen
en wij zullen opstaan
en lachen en juichen en leven.

Huub Oosterhuis

Amsterdam huilt

Amsterdam huilt


Als vader weer bladert in zijn fotoboek
dan sta je versteld als hij je vertelt
van de Weesperstraat en de jodenhoek
Als vader verhaalt hoe het leven begon
Bij het ontwaken, handel en zaken
Humor en gein, dat was de levensbron
En had je een dag ‘ns geen mazzel gehad
dan ‘s avonds naar de Tip Top waar je ‘t sores vergat
Soms riep d’r nog een in het nachtelijk uur:
‘k Heb mooie olijven en uitjes in het zuur

Amsterdam huilt waar het eens heeft gelachen
Amsterdam huilt, nog voelt het de pijn
Amsterdam huilt waar het eens heeft gelachen
Amsterdam huilt, want weg is de gein

Als vader verhaalt hoe de sabbath begon
dan sta je versteld als hij je vertelt
hoe de voorzanger ‘Ad-des-jem eilje nowa’ zong
Op het Channeke-feest gingen de kaarsjes weer aan
dan werd er gewenst, door God je gebenscht
en dat het ons allemaal goed weer mocht gaan

Voor er werd geplunderd en uitgeroeid
hebben daar jiddische Jé-ledjes gestoeid
Men noemde hen ras, oh God oh God,
waarom mocht het niet zijn zoals het er was?

Amsterdam huilt waar het eens heeft gelachen
Amsterdam huilt, nog voelt het de pijn
Amsterdam huilt waar het eens heeft gelachen
Amsterdam huilt, want weg is de gein

Op vrijdagavond koegel en peren
Wie dat niet nascht, die kan het ook niet waarderen
Het boek gaat dicht en met een traan in zijn ogen
fluistert hij zachtjes: mazzel en brooche voor de hele misjpoge

Mazzel en brooche voor de hele misjpoge
Mazzel en brooche voor de hele misjpoge

Zwarte Riek

Erlkoenig

Erlkoenig


Wer reitet so spät durch Nacht und Wind?
Es ist der Vater mit seinem Kind;
Er hat den Knaben wohl in dem Arm,
Er faßt ihn sicher, er hält ihn warm.

“Mein Sohn, was birgst du so bang dein Gesicht?”
“Siehst, Vater, du den Erlkönig nicht?
Den Erlenkönig mit Kron und Schweif?”
“Mein Sohn, es ist ein Nebelstreif.”‘

“Du liebes Kind, komm, geh mit mir!
Gar schöne Spiele spiel’ ich mit dir;
Manch’ bunte Blumen sind an dem Strand,
Meine Mutter hat manch gülden Gewand.”

“Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht,
Was Erlenkönig mir leise verspricht?”
“Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind;
In dürren Blättern säuselt der Wind.”

“Willst, feiner Knabe, du mit mir gehn?
Meine Töchter sollen dich warten schön;
Meine Töchter führen den nächtlichen Reihn,
Und wiegen und tanzen und singen dich ein.”

“Mein Vater, mein Vater, und siehst du nicht dort
Erlkönigs Töchter am düstern Ort?”
“Mein Sohn, mein Sohn, ich seh es genau:
Es scheinen die alten Weiden so grau.”

“Ich liebe dich, mich reizt deine schöne Gestalt;
Und bist du nicht willig, so brauch ich Gewalt.”
“Mein Vater, mein Vater, jetzt faßt er mich an!
Erlkönig hat mir ein Leids getan!”

Dem Vater grauset’s, er reitet geschwind,
Er hält in Armen das ächzende Kind,
Erreicht den Hof mit Müh’ und Not;
In seinen Armen das Kind war tot.

Goethe