Tag: goddess

Met Spinrok & Spintol naar Vrouw Holle

Met Spinrok & Spintol naar Vrouw Holle


In het verhaal van Grimm over Vrouw Holle staat:

Quote:
Dasarme Mädchen mußte sich täglich auf die große Straße bei einem Brunnensetzen und mußte so viel spinnen, daß ihm das Blut aus den Fingernsprang. Nun trug es sich zu, daß die Spule einmal ganz blutig war, dabückte es sich damit in den Brunnen und wollte sie abwaschen; siesprang ihm aber aus der Hand und fiel hinab.


http://www.grimmstories.com/language.php?grimm=024&l=nl&r=de

 

Quote:
AlsSpule (von althochdeutsch: spuola = abgespaltenes Holzstück (zumAufwickeln von Fäden)) werden Körper zum Aufwickeln oder dasaufgewickelte Material selbst bezeichnet:


http://de.wikipedia.org/wiki/Spule

Wederom een koppeling tussen de oude spintechniek en een reis naar de benedenwereld, en ook iets met een bloed-offer….

Die goede oude tijd van het Matriarchaat, een sprookje?

Die goede oude tijd van het Matriarchaat, een sprookje?


Vreedzame matriarchale culturen, zoals geponeerd door Gimbutas etc, is nog heel veel controverse, de hypothese is tot nog toe onbewezen.

Er zijn wel zogenaamde Matrifocale/Matrilineaire culturen, dwz culturen waar relatief meer focus is op moeders/vrouwen, zonder expliciet dominantie te veronderstellen:

De Nari (Kerala, India), de Wemale (Ceram): van deze stammen is bekend dat de mannen primair professionele krijgers zijn, waardoor er een mannentekort is, wat zou kunnen verklaren dat vrouwen daar meer de boel regelen, dit is dus niet bepaald een vreedzame matriarchaat.

De Trobriand (Nieuw Guinea), de Minangkabau (Sumatra): deze stammen zijn matrilineair, de erflijn gaat via de vrouwelijke tak, maar dat is nog geen matriarchaat in de zin van vrouwenheerschappij, want anders zou je ook Jodendom kunnen rekenen tot matriarchaat.

Nu zijn er wel mythes over matriarchale samenlevingen: Amazones etc., maar of die ooit bestaan hebben?

Er zijn krijgshaftige koninginnen geweest:
Alexander de Grote werd teruggedrongen door de Koningin van Nubia, de Romeinen kregen klop van koningin Boudicca en koningin Zenobia.
Wat dit ook moge bewijzen, in ieder geval geen vreedzame matriarchaten!

Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Matriarchy

Hekserij: een religie, een filosofie?

Hekserij: een religie, een filosofie?


Ik beschouw mezelf als agnostische heks.

Eerlijk gezegd geen idee of de goden wel of niet bestaan buiten mijn eigen subjectieve ervaring.

Offeren en spreken met ‘de goden’ doe ik wel, alsof ze wel bestaan.

‘To sacrifice as if present’ , een idee dat minstens zo oud is als Confucius.

Dus voor mij is hekserij meer een levenswijze dan een religie;  zwart-wit zie ik die tegenstelling echter niet.

Iron Pentacle deel II

Iron Pentacle deel II


Wat betekent voor mij Power, en Passion?
Power, in de zin van echte intrinsieke kracht, heeft voor mij te maken met intentie, zoals beoefend in de esoterische gevechtkunst. Daarvoor is een goede Grounding & Centering nodig.
Passion, datgene wat echt mijn passie heeft.
Hiervoor het GuanYin orakel geraadpleegd.
Tekst 83 Moon Month: the moon waxes & wanes in natural rythm
duiding: mijn passie  volgt het maanritme, het wast en neemt af; soms moet ik afwachten op het juiste moment voor de passie, dat is wel eens moeilijk.

Workshop Reclaiming-Ritueel

Workshop Reclaiming-Ritueel


Het hele proces dat hiertoe leidde vond ik bijzonder zwaar.

Binnen de organisatie communicatieproblemen, het was moeilijk om vergadermomenten & afspraken mbt actiepunten rond te krijgen.

Contacten met andere heksen-groepen gingen moeizaam, er waren weinig ondersteunende reacties mbt dit project.

In de eindfase heel veel zelf aan de telefoon/mail moeten hangen om toch een minimale bezetting kunnen realiseren.

Aanmeldingen kwamen traag op gang en als dan een paar onverwachts afmelden, is dat reden tot zorg

Onverwachtse aanmelding van een groep waarmee we reeds eerder heftige discussies hebben gehad (onder andere over werkwijze, communicatiestijl etc), overviel me erg omdat dit op het laatste moment bij me terechtkwam zonder dat ik vooraf was gewaarschuwd.

Met al dit gedoe het gevoel gehad dat ik (weer) heel erg aan de slag moest met de Donkere Godin.

Deze intentie meegenomen naar de workshop, door mijn trollenkop mee te nemen als vertegenwoordiger van Haar.

In de workshop wat basis-technieken geoefend mbt Reclaiming-Ritueel:

Aarden, cirkel trekken, aanroepen van elementen & windrichtingen & goden , energie opwekken & gronden, afscheid nemen van goden & windrichtingen & elementen, cirkel openen.

Met de onverwachtse bezoekers erbij ging het heel goed, degenen die ik in die groep het leukste vond waren erbij, de rest was verhinderd.

Mijn thema voor dit ritueel: de Donkere Godin eren voor de lessen die ze afgelopen periode bracht, afscheid van Haar nemen bij het draaien van het Jaarwiel, om ruimte te maken voor de Heldere Jonge Godin.

Bijzonder heftig werk, om haar in de cirkel op te roepen!

Grappig detail: degenen die het altaar hadden opgezet, hadden door de verwarrende orientatie van het gebouw met natte vinger het noorden geplaatst, waar het oosten bleek te zijn.

Het oproepen van windrichtingen, elementen en wachters gebeurde dus niet in de standaard traditionele Wicca-volgorde, gezien eerdere discussies vond ik dat wel ironisch

Na het ritueel nog met een stel dineren en napraten, langzamerhand de overgang maken naar de dagelijkse werkelijkheid.

Het was een intensieve dag, blij dat ik vakantie heb!

Ritueel tijdens maansverduistering 3-4 maart 2007

Ritueel tijdens maansverduistering 3-4 maart 2007


[b]Notities uit mijn Book of Shadows:[/b]
sjamanenspiegel in de maan gezet
vreemde energie…
als een soort pauze tussen twee vloedgolven…
een moment van rust, maar toch weer anders dan nieuwe maan…
gesluierde maan…
Hecate?
sinister?
Hulda!
WoW, en daarmee laad ik dus nu mijn spiegel!
ik heb wat met de Godin van de Onderwereld…
soul-retrieval..

Commentaar;
Heftige energie, heftige emoties gaan door me heen.
Ik zeg tegen mezelf: goed gronden, doorstromen.

Woei!
Kan me voorstellen dat mensen flippen bij deze heftige energie!

La Belle Dame Sans Merci

La Belle Dame Sans Merci


I

Oh what can ail thee, knight-at-arms,
Alone and palely loitering?
The sedge has withered from the lake,
And no birds sing.

                          II

 

Oh what can ail thee, knight-at-arms,
So haggard and so woe-begone?
The squirrel’s granary is full,
And the harvest’s done.

                          III

 

I see a lily on thy brow,
With anguish moist and fever-dew,
And on thy cheeks a fading rose
Fast withereth too.

                          IV

 

I met a lady in the meads,
Full beautiful – a faery’s child,
Her hair was long, her foot was light,
And her eyes were wild.

                          V

 

I made a garland for her head,
And bracelets too, and fragrant zone;
She looked at me as she did love,
And made sweet moan.

                          VI

 

I set her on my pacing steed,
And nothing else saw all day long,
For sidelong would she bend, and sing
A faery’s song.

                          VII

She found me roots of relish sweet,
And honey wild, and manna-dew,
And sure in language strange she said –
‘I love thee true’.

                          VIII

 

She took me to her elfin grot,
And there she wept and sighed full sore,
And there I shut her wild wild eyes
With kisses four.

                          IX

 

And there she lulled me asleep
And there I dreamed – Ah! woe betide! –
The latest dream I ever dreamt
On the cold hill side.

                          X

 

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried – ‘La Belle Dame sans Merci
Hath thee in thrall!’

                          XI

 

I saw their starved lips in the gloam,
With horrid warning gaped wide,
And I awoke and found me here,
On the cold hill’s side.

                          XII

 

And this is why I sojourn here
Alone and palely loitering,
Though the sedge is withered from the lake,
And no birds sing.

John Keats

De Vrouwelijke kant van God

De Vrouwelijke kant van God


Als rooms-katholiek meisje opgegroeid in Limburg, voelde Annine van der Meer (52) van kinds af aan een intuïtieve verbondenheid met Maria. Op de universiteit, waar zij kerkgeschiedenis en theologie ging studeren, vertaalde zich dat in een intellectuele en wetenschappelijke fascinatie voor de vrouwelijke kant van God.

In de colleges die ze in Utrecht volgde bij de vorige week in Egypte plotseling overleden professor Gilles Quispel, maakte ze voor het eerst kennis met Sophia, de vrouw van God in de gnosis. En met vrouwelijke priesters, predikers en bisschoppen. „Dat vond ik geweldig. In de gnosis stuitte ik op het goddelijk vrouwelijke dat in het orthodoxe christendom al was zoekgeraakt.” Ze besloot bij Quispel te promoveren en was in 1989, na tien jaar studie, de enige vrouw die ooit bij hem de doctorsbul heeft behaald.

Dit proefschrift was pas het begin. Van der Meer werd lerares en ging in haar vrije tijd door met onderzoek naar de vrouw en het vrouwelijke in religie en godsbeelden. Gaandeweg ontdekte ze hoe enorm groot de rol van de vrouw is geweest in de geschiedenis en prehistorie.

Het was een moeizame zoektocht, vertelt ze in haar pas betrokken huis in Honselersdijk, „want hoe verder je teruggaat in de tijd, hoe schaarser de bronnen. En de bronnen díe er zijn, zijn vanuit een vrouwvijandig perspectief geschreven. Dat geldt ook voor heilige teksten. Het zijn vaak de mannen in de geschiedenis, die de geschiedenis gemaakt lijken te hebben. Dat komt doordat zijzelf de geschiedenis geschréven hebben. Dat zie ik nu, na alles wat ik heb ontdekt.”

Ze noemt zichzelf geen feministe, maar de schat aan materiaal die ze in haar vuistdikke boek ’Van Venus tot Madonna’ heeft verzameld over de rol van vrouwen in de (religie)geschiedenis, zou een feministisch onderzoeker niet misstaan. Eigenlijk waren het juist de studies van feministen – over godinnencultuur, de godin in de vrouw en zo – die zij niet vertrouwde, en die haar er extra toe aanzetten het in haar eigen onderzoek beter te doen.

„Die feministen sloegen in mijn ogen zo door. Ze gebruikten lukraak en klakkeloos allerlei termen door elkaar heen, zoals dé grote godin, dé moeder, dé moedergodin. Ik wilde juist heel zuiver zijn in mijn definiëring, want waar heb je het anders over?”

De echte eyeopener, en prikkel om haar onderzoek door te zetten, kreeg ze in 2000, tijdens een vakantie op Malta. „Op Malta staan prachtige tempels. Die had ik gezien, voor ik naar het nationaal museum ging. Daar waren zalen vol met vrouwenbeeldjes, waar dan bij stond ’idol’, ’statuette’ of in het gunstigste geval ’lady’. Er was er één die de ’Venus van Malta’ mocht heten: een staande vrouwe met de hand op haar buik, naakt en met rode oker besprenkeld. Hand op de buik betekent: ’ik ben zwanger’ en naakt zijn wil zeggen ’ik ben goddelijk’. ’Venus’ is een verkeerde aanduiding voor deze kunst, die met seksualiteit of wulpsheid niks te maken heeft: dit is gewoon de godin die baart. Maar dat had ik op dat moment nog allemaal niet door, want ik ging af op de bordjes in het museum en op de literatuur die ik kon vinden. En daarin wordt het woord godin geen een keer genoemd.”

Vanwaar dan toch al die tempels, vroeg Van der Meer zich af, en waar komen die vrouwenbeeldjes dan vandaan? Wat wil dit alles zeggen?

„Ik ben heel cynisch begonnen. Het woord priesteres kwam niet in mij op, ik had er eigenlijk geen rekening mee gehouden dat ik die ooit zou vinden, hetzij op Malta hetzij elders in die oude culturen. Nu weet ik dat ze daar zijn en dat ze ver in de meerderheid zijn vergeleken met de mannelijke priesters, en dat er vele malen meer godinnen zijn dan goden. Ik heb op Malta het topje van de ijsberg voor het eerst gevoeld.”

Na Malta volgden reizen naar andere landen en culturen: Kreta, Egypte, Syrië, Griekenland, Turkije, Israël. „Daar openden zich prachtige steden, opgravingen en musea voor mij. Er ging een wereld voor me open, zo kleurrijk, zo prachtig van kunst, zo verfijnd en vooral zo vrouwelijk. Weer thuis dook ik dan de bibliotheek in, waar alles wat ik met moeite ver weg had verzameld, gewoon in één keer werd weggeredeneerd. Ik kwam in een wespennest van interpretaties terecht. Traditionele archeologen, zoals bijvoorbeeld meneer Bonanno, archeloog op Malta, erkennen het vrouwelijke in de kunst gewoon niet. En verklaren ook heel veel wat vrouwelijk is tot mannelijk.”

Van der Meer wijst een figuurtje aan in haar enorme glazen vitrinekast vol vrouwenbeeldjes. „Kijk, dit is een kopie van een vondst op Malta uit de late steentijd – ongeveer vanaf 4000 voor Chr. In het boekje van Bonanno staat: ’de priester’. Maar dit beeldje is een vrouw, een priesteres naar mijn mening. Dat het stellig om een vrouw gaat, kun je zien aan de afbeelding op haar jurk. Een driehoek met de punt naar beneden of, zoals in dit geval, een omgekeerde u is een oeroud symbool van de vulva.

De vulva staat voor de baarmoeder. De oude prehistorische mens is zich bewust geweest van het kosmische karakter van de godin van leven. De baarmoeder baart de melkweg, de aarde, de sterren. Net zo goed als het kind zich als eerste zijn moeder bewust is, bestond in die oude culturen het bewustzijn dat het leven voortkomt uit een goddelijke moeder.”

Ook in Frankrijk en Spanje, vertelt Van der Meer, vind je deze vulvasymbolen, in grotten uit het paleolithicum – de late oude steentijd, zo’n 15000 voor Chr. „De prehistorische mens met zijn archaïsch bewustzijn dacht in abstracte symbolen. Er is dus eerst het symbool van de vulva, scheppingsmechanisme waaruit alles voortkomt, voordat het goddelijk vrouwelijke als mens wordt afgebeeld.”

Van der Meer legde archeologische vondsten en geschreven mythen uit verschillende culturen naast elkaar. „Je ziet eerst een speldenknopje, daarna een groter geheel van mensen die zich op dezelfde manier gedragen, die dezelfde symbooltaal gebruiken. Het symbool is de sleutel om een groter geheel in beeld te krijgen.”

Al vergelijkend trof zij in de prehistorische periode overal vruchtbaarheidsreligies aan, waarin het draait om de moedergodin, of zij nu Asjera heet (Israël), Isis (Egypte) of Inanna (Mesopotamië). De rol van de mannelijke godheid in deze religies is die van de sterfelijke jaargod: het mannelijke maakt onderdeel uit van de vrouwelijke cultus, de vrouwelijke altaarrituelen. De godin baart, schept en onderhoudt leven, terwijl de jaargod staat voor de wisselende natuur, die elk jaar opbloeit en weer afsterft.

Na tienduizenden jaren van vreedzaam voortbestaan („verdedigingsmuren en wapens hadden ze niet”) kwam er vanaf 2400 voor Chr. geleidelijk een einde aan de ’gynandrische’ culturen, zoals Van der Meer ze noemt, waarin man en vrouw elkaar aanvulden. De omslag van matriarchaat naar patriarchaat begon volgens Marija Gimbutas, de archeologe van het oude Europa, met de invasies van Indo-Europeanen in Mesopotamië, Turkije (Hettieten) en Griekenland (Doriërs en Achaeërs).

Van der Meer deelt haar visie. „De samenleving wordt grimmiger en mannen gaan steeds meer in hun macht staan. De vruchtbaarheidsgod, die ooit als partner van de godin begon, wordt stormgod die met bliksem en wapens smijt, en groeit uit tot de ene oppergod.”

Het archaïsche bewustzijn wijkt voor het rationele, moedercultuur wordt vadercultuur. „Dat heeft grote gevolgen gekregen, waarmee vrouwen in verschillende delen van de wereld nog dagelijks worden geconfronteerd: niet naar school mogen, besnijdenis, weduwenverbranding, vrijheidsbeperking en andere misstanden.”

Van der Meer denkt dat vrouwen, als ze hun roemrijk verleden herontdekken, gemakkelijker zullen opkomen voor hun zelfstandigheid – sociaal, economisch en religieus. „Ik breng het vergeten beeld van de moedercultuur en het goddelijk vrouwelijke in herinnering.”

Die Lorelei

Die Lorelei


Ich weiß nicht, was soll es bedeuten, Daß ich so traurig bin, Ein Märchen aus uralten Zeiten, Das kommt mir nicht aus dem Sinn. Die Luft ist kühl und es dunkelt, Und ruhig fließt der Rhein; Der Gipfel des Berges funkelt, Im Abendsonnenschein. Die schönste Jungfrau sitzet Dort oben wunderbar, Ihr gold’nes Geschmeide blitzet, Sie kämmt ihr goldenes Haar, Sie kämmt es mit goldenem Kamme, Und singt ein Lied dabei; Das hat eine wundersame, Gewalt’ge Melodei. Den Schiffer im kleinen Schiffe, Ergreift es mit wildem Weh; Er schaut nicht die Felsenriffe, Er schaut nur hinauf in die Höh’. Ich glaube, die Wellen verschlingen Am Ende Schiffer und Kahn, Und das hat mit ihrem Singen, Die Loreley getan. Heinrich Heine, 1823

The Courtship of  Inanna & Dumuzi

The Courtship of Inanna & Dumuzi


Inanna spoke:  "What I tell you   Let the singer weave into song.   What I tell you,   Let it flow from ear to mouth,   Let it pass from old to young:  My vulva, the horn,   The Boat of Heaven,   Is full of eagerness like the young moon.   My untilled land lies fallow.  As for me, Inanna,   Who will plow my vulva!   Who will plow my high field!   Who will plow my wet ground!  As for me, the young woman,   Who will plow my vulva!   Who will station the ox there!   Who will plow my vulva!"  Dumuzi replied:  "Great Lady, the king will plow your vulva.  I, Dumuzi the King, will plow your vulva." Inanna:  "Then plow my vulva, man of my heart!  Plow my vulva!"  At the king’s lap stood the rising cedar.   Plants grew high by their side.   Grains grew high by their side.   Gardens flourished luxuriantly.  Inanna sang:  "He has sprouted; he has burgeoned;   He is lettuce planted by the water.   He is the one my womb loves best.  My well-stocked garden of the plain,   My barley growing high in its furrow,   My apple tree which bears fruit up to its crown,   He is lettuce planted by the water.  My honey-man, my honey-man sweetens me always.   My lord, the honey-man of the gods,   He is the one my womb loves best.   His hand is honey, his foot is honey,   He sweetens me always.  My eager impetuous caresser of the navel,   My caresser of the soft thighs,   He is the one my womb loves best,   He is lettuce planted by the water." Dumuzi sang:  "O Lady, your breast is your field.   Inanna, your breast is your field.   Your broad field pours out plants.   Your broad field pours out grain.   Water flows from on high for your servant.   Bread flows from on high for your servant.   Pour it out for me, Inanna.   I will drink all you offer."  Inanna sang: "Make your milk sweet and thick, my bridegroom.   My shepherd, I will drink your fresh milk.   Wild bull, Dumuzi, make your milk sweet and thick.   I will drink your fresh milk.  Let the milk of the goat flow in my sheepfold.   Fill my holy churn with honey cheese.   Lord Dumuzi, I will drink your fresh milk. My husband, I will guard my sheepfold for you.   I will watch over your house of life, the storehouse,   The shining quivering place which delights Sumer?  The house which decides the fates of the land,   The house which gives the breath of life to the people.   I, the queen of the palace, will watch over your house." Dumuzi spoke:  "My sister, I would go with you to my garden.   Inanna I would go with you to my garden.   I would go with you to my orchard.   I would go with you to my apple tree.  There I would plant the sweet, honey-covered seed."  Inanna spoke:  "He brought me into his garden.  My brother, Dumuzi, brought me into his garden.   I strolled with him among the standing trees,   I stood with him among the fallen trees,   By an apple tree I knelt as is proper.  Before my brother coming in song,   Who rose to me out of the poplar leaves,   Who came to me in the midday heat,   Before my lord Dumuzi,   I poured out plants from my womb.   I placed plants before him,   I poured out plants before him.   I placed grain before him,   I poured out grain before him.   I poured out grain from my womb." Inanna sang:  "Last night as I, the queen, was shining bright,   Last night as I, the Queen of Heaven, was shining bright,   As I was shining bright and dancing,   Singing praises at the coming of the night–  He met me–he met me!   My lord Dumuzi met me.   He put his hand into my hand.   He pressed his neck close against mine.  My high priest is ready for the holy loins.   My lord Dumuzi is ready for the holy loins.   The plants and herbs in his field are ripe.   O Dumuzi! Your fullness is my delight!"  She called for it, she called for it, she called for the bed!   She called for the bed that rejoices the heart.   She called for the bed that sweetens the loins.   She called for the bed of kingship.   She called for the bed of queenship. Inanna called for the bed:  "Let the bed that rejoices the heart be prepared!   Let the bed that sweetens the loins be prepared!   Let the bed of kingship be prepared!   Let the bed of queenship be prepared!   Let the royal bed be prepared!"  Inanna spread the bridal sheet across the bed. She called to the king:  "The bed is ready!"   She called to her bridegroom:  "The bed is waiting!"  He put his hand in her hand.   He put his hand to her heart.   Sweet is the sleep of hand-to-hand.   Sweeter still the sleep of heart-to-heart.Inanna spoke:  "I bathed for the wild bull,   I bathed for the shepherd Dumuzi,   I perfumed my sides with ointment,   I coated my mouth with sweet-smelling amber,   I painted my eyes with kohl.  He shaped my loins with his fair hands,   The shepherd Dumuzi filled my lap with cream and milk,  He stroked my pubic hair, He watered my womb.  He laid his hands on my holy vulva,   He smoothed my black boat with cream,   He quickened my narrow boat with milk,   He caressed me on the bed.  Now I will caress my high priest on the bed,   I will caress the faithful shepherd Dumuzi,   I will caress his loins, the shepherdship of the land,   I will decree a sweet fate for him."  The Queen of Heaven,   The heroic woman, greater than her mother,   Who was presented the me by Enki,   Inanna, the First Daughter of the Moon,   Decreed the fate of Dumuzi:  "In battle I am your leader,   In combat I am your armor-bearer,   In the assembly I am your advocate,   On the campaign I am your inspiration.   You, the chosen shepherd of the holy shrine,   You, the king, the faithful provider of Uruk,   You, the light of An’s great shrine,   In all ways you are fit:  To hold your head high on the lofty dais,   To sit on the lapis lazuli throne,   To cover your head with the holy crown,   To wear long clothes on your body,   To bind yourself with the garments of kingship,   To carry the mace and sword,   To guide straight the long bow and arrow,   To fasten the throw-stick and sling at your side,   To race on the road with the holy sceptre in your hand,   And the holy sandals on your feet,   To prance on the holy breast like a lapis lazuli calf.  You, the sprinter, the chosen shepherd,   In all ways you are fit.  May your heart enjoy long days.  That which An has determined for you–may it not be altered.   That which Enlil has granted–may it not be changed.   You are the favorite of Ningal.   Inanna holds you dear." Ninshubur, the faithful servant of the holy shrine of Uruk,   Led Dumuzi to the sweet thighs of Inanna and spoke:   "My queen, here is the choice of your heart,   The king, your beloved bridegroom.  May he spend long days in the sweetness of your holy loins.   Give him a favorable and glorious reign.   Grant him the king’s throne, firm in its foundations.   Grant him the shepherd’s staff of judgment.   Grant him the enduring crown with the radiant and noble diadem.  From where the sun rises to where the sun sets,   From south to north,   From the Upper Sea to the Lower Sea,   From the land of the huluppu-tree to the land of the cedar,   Let his shepherd’s staff protect all of Sumer and Akkad.  As the farmer, let him make the fields fertile,   As the shepherd, let him make the sheepfolds multiply,   Under his reign let there be vegetation,   Under his reign let there be rich grain.  In the marshland may the fish and birds chatter,   In the canebrake may the young and old reeds grow high,   In the steppe may the mashgur-trees grow high,   In the forests may the deer and wild goats multiply,   In the orchards may there be honey and wine,  In the gardens may the lettuce and cress grow high,   In the palace may there be long life.  May there be floodwater in the Tigris and Euphrates,   May the plants grow high on their banks and fill the meadows,   May the Lady of Vegetation pile the grain in heaps and mounds.  O my Queen of Heaven and Earth,   Queen of all the universe,   May he enjoy long days in the sweetness of your holy loins."  The king went with lifted head to the holy loins.   He went with lifted head to the loins of Inanna.   He went to the queen with lifted head.  He opened wide his arms to the holy priestess of heaven.Inanna spoke:  "My beloved, the delight of my eyes, met me.   We rejoiced together.   He took his pleasure of me.   He brought me into his house.  He laid me down on the fragrant honey-bed.   My sweet love, lying by my heart,   Tongue-playing, one by one,   My fair Dumuzi did so fifty times.  Now, my sweet love is sated.  Now he says:  ‘Set me free, my sister, set me free.   You will be a little daughter to my father.   Come, my beloved sister, I would go to the palace.  Set me free…’"  Inanna spoke:  "My blossom-bearer, your allure was sweet.   My blossom-bearer in the apple orchard,   My bearer of fruit in the apple orchard,   Dumuzi-abzu, your allure was sweet.  My fearless one,   My holy statue,   My statue outfitted with sword and lapis lazuli diadem,   How sweet was your allure…"